Jullie trouw aan het evangelie en aan de Kerk, in gehoorzamende en oprechte gemeenschap met onze zeer geliefde bisschop, zal jullie er niet van kunnen weerhouden, integendeel, 

zal jullie ertoe verplichten in de Kerk oprecht te spreken over alles waarvan jullie geloven dat het gepast is te spreken.

Weten dat wij een bisschop als herder en verdediger van het geheel van de geloofsschat hebben, bemoedigt en sterkt ons.

Laat het niet toe dat iemand buiten de bisschop oordeelt over jullie geloof en jullie trouw aan de Kerk. En laat het vooral jullie bisschop en heel de Kerk niet ontbreken aan jullie denken; jullie ervaring, jullie liefde.

Doe in de gehoorzaamheid aan de bisschop, spil en borg van jullie geloof, voor niemand onder. Maar doe juist omdat jullie zonder huichelarij gehoorzamen, voor niemand onder in jullie vrijheid; vrijheid zonder diplomatieke en sluwe spelletjes, in het zeggen van alles en het aanklagen van misbruik en verdraaiing van de waarheid, verraad van het evangelie. Spreek en schrijf nederig, maar vastberaden en duidelijk.

Gehoorzaamheid en vrijheid. Wee, als jullie een van de twee elementen van deze spanning onderdrukken. Wee een vrijheid zonder gehoorzaamheid, maar ook wee een gehoorzaamheid zonder vrijheid.

Terwijl ik schrijf, bewaar ik jullie allen in mijn hart. Ik zien jullie één voor één, wanneer ik de weg weer ga die wij samen hebben afgelegd vanaf de eerste dag dat ik jullie ontmoette, tot vandaag. Wat voor een lange weg hebben jullie afgelegd! Jullie waren een “niet-volk” en nu zijn jullie een volk; jullie waren “niet bemind” en nu zijn jullie bemind; jullie waren “alleen” en nu zijn jullie in gemeenschap; jullie dachten alleen maar aan jezelf en nu klopt jullie hart voor de ander; jullie waren slaaf van de modes en nu zijn jullie vrij; jullie probeerden je te bedienen van de Kerk voor jullie spelletjes en nu dienen jullie haar; jullie waren timide en nu durven jullie; jullie waren bang de lijdenden te ontmoeten en nu omarmen jullie hen; jullie wilden succes hebben en nu weten jullie afstand te doen; jullie waren niet in staat tot liefde en nu zijn jullie voor zovelen een waar teken van liefde geworden.

Ik kan niet anders dan jullie prijzen en “ik dank mijn God telkens als ik u gedenk, altijd, bij al mijn gebeden voor u allen. En ik verricht mijn gebed met blijdschap, omdat gij van de eerste dag tot nu toe uw deel hebt bijgedragen tot de prediking van het evangelie. Ik ben er zeker van dat Hij die het goede werk in u begonnen is het zal voltooien tegen de dag van Christus Jezus” (Fil. 1, 3-6).

“Daarom, mijn beminde broeders, naar wie ik zo verlang, mijn vreugde en mijn kroon, houdt aldus stand in de Heer, mijn geliefden” (Fil. 4, 1).

Wat ik wist en jullie kon geven, heb ik jullie gegeven. Ik geloof niet dat ik mij voor jullie heb gespaard. Ik geloof niet dat ik lieg als ik “voor het aanschijn van Christus Jezus die levenden en doden zal oordelen” (2 Tim. 4, 1) zeg dat ik te midden van jullie als degene ben geweest die “het evangelie verkondigt, te pas en te onpas aandringt, weerlegt, berispt, bemoedigt, in één woord onderricht geeft met groot geduld” (vgl. 2 Tim. 4, 2).

Ik kan jullie daarom met alle recht zeggen: “Brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd, en wat gij van mij hebt gehoord en gezien. Dan zal de God van vrede met u zijn” (Fil. 4, 9).

Ik ben niet “met wijsheid van woorden” (1 Kor. 1, 17) te midden van jullie gekomen. Vanaf het begin heb ik altijd nooit een verzachtende taal of diplomatieke manieren gebruikt. Ik heb niet de technische middelen van de menselijke wijsheid gebruikt, ik heb jullie niet aangetrokken met het voorspiegelen van menselijke perspectieven.

En dat alles, opdat “het kruis van Christus” niet “zijn kracht zou verliezen” (1 Kor. 1, 17). Alleen door opnieuw het kruis van Christus te heroverwegen en te aanschouwen, niet ervoor te blozen en ons ervoor te schamen zullen wij, uitgaande van deze centrale en onvervangbare werkelijkheid van de christelijke boodschap, onze betekenis en ons zijn in de geschiedenis hervinden. Alleen door opnieuw uit te gaan van het kruis van Christus zullen wij de “nieuwe schepping”, “het nieuwe schepsel” beleven, het enige dat telt, dat de wereld niet kan en niet weet te bouwen.

Alleen als wij de kleine en grote gouden kruisen die als versiering zijn geplaatst bij de kruiswegstaties en zijn gemaakt door grote beeldhouwers en duur zijn betaald, de grote kruisen die kunstwerken zijn en nergens toe dienen, weten te vervangen door het ruwe, harde, gehate en beminde houten kruis, dan en alleen dan zal dat sociologische, diplomatieke, juridische, psychologische, filosofische, protserige, mondaine, curiale, hoerige, leugenachtige, machtige, demonische christendom vallen en worden verstrooid als stof in de wind. Er valt niet aan te twijfelen of er valt niet te redeneren; men moet alleen geloven dat de wereld wordt vastgenageld en overwonnen op het kruishout.

“Want de prediking van het kruis is dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor hen die gered worden, voor ons, is zij Gods kracht. Er staat immers geschreven: Verdelgen zal ik de wijsheid der wijzen en het verstand der verstandigen zal ik tenietdoen.

De wijze, de geleerde, de redetwister van deze tijd, waar zijn zij? Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt?

In Gods wijsheid heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden; daarom heeft God besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van de verkondiging. Want joden eisen wonderen, heidenen verlangen wijsheid. Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid, maar voor hen die geroepen zijn, joden als heidenen, is Hij Gods kracht en Gods wijsheid. Want de dwaasheid van God is wijzer dan de mensen, en de zwakheid van God is sterker dan de mensen” (1 Kor. 1, 18-25).

Ik weet goed, omdat ik jullie als niemand anders ken, omdat ik naar jullie kijk met de begerige en afgunstige ogen van Christus; ik weet goed, beste vrienden, dat er te midden van jullie velen zijn die een complex hebben door hun menselijke zwakheden. Ik zou zeggen dat wij allen mensen met een complex zijn. Er zijn er die het complex hebben dat zij niet kunnen spreken; sommigen dragen het complex met zich mee van een individualistische opvoeding die hen van de anderen heeft geïsoleerd; sommigen het complex van de onwetendheid; sommigen dat van een zwakke wil; sommigen dat van een gewelddadig karakter; sommigen dat van een besluiteloos karakter; sommigen dat van gemakkelijke tranen; sommigen het complex dat zij een “bevoorrechte” zijn. Ik zou zeggen dat wij allen enigszins mensen met een complex zijn en wel zo dat wij het complex hebben complexen te creëren en zo in sommigen het complex creëren er geen te hebben. Jullie weten goed hoe ik geen verstand heb van psychologische problemen en hoe ik niets weet van psychoanalyse.

Ik ben priester en een priester die totaal geen verstand heeft van menswetenschappen: mijn functie is niet op te voeden of te genezen (ik geloof te zeer in de autonomie van de wetenschappen en ik zou mij er wel voor hoeden vrienden van mij die arts zijn, hun beroep af te nemen). Ik als priester, en alleen als zodanig, zeg jullie dit: het is waar.

Ieder van ons heeft een lichaam, een karakter, een geschiedenis, een verleden, een cultuur, een sociaal-culturele context, waarin hij heeft geleefd en zijn persoonlijkheid heeft gevormd. En ik zou zeggen, ik ben de eerste om te zeggen dat wij een beetje allemaal armzalig zijn, een heel zwakke mensheid in zeer veel aspecten, onbekwaamheid en middelmatigheid in geconcentreerde vorm. Toen onze Elena die ons allen zo had verafgood, dit aspect van ons had ontdekt, heeft zij geen nacht geslapen. Maar je hoeft niet je te verontrusten. Je hoeft alleen maar heel rustig kennis te nemen van deze solidariteit van ons in zwakheid.

Als atheïsten zouden wij zeker wanhopig moeten worden. Maar niet als christenen. Wat voor belang heeft wat wij zijn, nog ten overstaan van God? Wat voor belang heeft onze kracht, onze intelligentie, onze moed, ons handelen nog? Wat voor belang heeft “het onze” nog?

Ten overstaan van God moet alles worden verbrand, alles worden gebruikt, alles worden samengevat. Waarlijk, ten overstaan van God “is alles niets”.

En dan, mijn beste broeders, het moet afgelopen zijn met verhalen en nutteloze problematieken. Wat voor belang heeft het nog in overweging te nemen wat wij in Adam zijn?

Laten wij in overweging nemen wat wij in Christus zijn. En dan, “denkt maar aan uw eigen roeping, broeders. Naar menselijke maatstaf waren er niet velen geleerd, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst. Nee, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren, om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen; wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om teniet te doen wat iets is, opdat tegenover God geen mens zou roemen op zichzelf. Dank zij Hem zijt gij in Christus Jezus, die van Godswege heel onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, heiliging en verlossing. Daarom, zoals er geschreven staat, als iemand wil roemen, laat hem roemen op de Heer” (1 Kor. 1, 26-31).

Deze zwakheid van jullie, die in macht is veranderd, hebben jullie allen ervaren. Denk eraan hoe jullie twee jaar geleden leefden en zie hoe zovelen van jullie vrienden die het door mij gezaaide zaad niet hebben geoogst of het hebben laten verstikken, leven. En nu zouden jullie minder complexen hebben en meer vertrouwen in God, minder veranderingen van gedachten en meer besluitvaardigheid.

Jullie mogelijkheden zijn niet gering, de verwachtingen die jullie in zovelen hebben gewekt, zijn talrijk. De armen, de zieken, de lijdenden houden van jullie. De stervenden hebben jullie gezegend. De onwetenden worden door jullie onderricht. De marginalen, die in instituten zijn opgesloten, wachten op jullie met verlangen, vreugde, erkentelijkheid. De rechtelozen zien in jullie degenen die hen kunnen verdedigen. De machtigen vrezen jullie. Eerlijke atheïsten respecteren jullie. Zij die op zoek zijn naar het geloof, kijken naar jullie en voelen in hun hart weer een vlam ontstoken worden waarvan zij dachten dat die was gedoofd. Het zijn geen woorden. Achter deze “gemeenschappelijke namen”, deze “categorieën” staan concrete personen, gezichten, geschiedenissen, het kloppen van een hart, dat jullie hebben weten af te stemmen op jullie hartslag. Ik kan jullie alleen maar prijzen. ”Laten wij in ieder geval op de ingeslagen weg voortgaan” (Fil. 3, 16). Ik en heel de Kerk kunnen alleen maar “God dank zeggen voor u allen, telkens wanneer wij uw naam noemen in onze gebeden. Onophoudelijk gedenken wij voor het aanschijn van God, onze Vader, uw werkdadig geloof, uw onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus. Wij weten, broeders, dat God u liefheeft en dat gij door Hem zijt uitverkoren, want wij hebben u het evangelie verkondigd niet alleen met woorden, maar met kracht en Heilige Geest en volle overtuiging. Gij weet trouwens zelf wel hoe ons optreden bij u is geweest: het was gericht op uw heil. En gij van uw kant zijt navolgers geworden van ons en van de Heer, toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met vreugde van de Heilige Geest. Gij zijt een voorbeeld geworden voor alle gelovigen” (1 Tess. 1, 2-7).

“Gij zijt een voorbeeld geworden voor alle gelovigen…”. “Gij zijt het zout der aarde... Gij zijt het licht der wereld... Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is” (Mat. 5, 13-16).

 

Emilio Grasso

(Wordt vervolgd)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

06/04/2014