Vanaf vandaag is jullie verantwoordelijkheid geweldig groot. Jullie taak gaat jullie menselijke mogelijkheden te boven. Alleen zijn jullie tot mislukken gedoemd. Ik, als priester van Christus,

heb jullie de verantwoordelijkheid van heel de wereld op de schouders gelegd, omdat, als het waar is dat de naastenliefde als concreet onderwerp een concrete en in zijn problemen herkende persoon heeft, het ook waar is dat zij geen grenzen, begrenzingen heeft, maar heel het universum en de tijd omvat.

Van jullie kant moet er worden gesidderd. Omdat jullie intussen partij hebben gekozen en geen mogelijkheid meer hebben om terug te keren. Wanneer de basis eenmaal is gelegd, kan men niet terugkeren. Anders gebeurt met jullie zoals met die man uit het evangelie: ook hij had de fundering gelegd om zijn werk te bouwen en “als hij niet in staat is het tot een einde te brengen, allen die het zien, hem gaan bespotten en zeggen: Die man begon te bouwen, maar hij was niet in staat het einde te halen” (cfr. Luc. 14, 29-30). Op de rand om jullie gade te slaan en in afwachting om jullie te bespotten is daar heel een wereld die jullie goed kennen: die wereld van qualunquisten, pessimisten, onheilsprofeten, nietsnutten, vermoeiden, laffen, bedroefden, onbekwamen, mislukkelingen, raaskallers, roddelaars, timide figuren, angstige figuren, imbecielen, opportunisten, egoïsten, verwaande kwasten en hoogmoedigen. De meest vulgaire en smerige materialisten wachten op jullie en zullen om zich te rechtvaardigen tegen jullie zeggen dat jullie er goed aan hebben gedaan terug te gaan, op te houden met dromen, eindelijk te denken als normale mensen. Zij wachten op jullie om jullie weer op te zuigen en weer te stoppen in die vuilnisbak die niet in staat is tot elan, creativiteit, liefde. Deze “lauwe, noch hete, noch koude en als zodanig door God uitgebraakte” wereld (vgl. Apok. 3, 15-16).

Maar wees niet bezorgd: “Weest niet bevreesd, kleine kudde: het heeft uw Vader behaagt u het Koninkrijk te schenken” (Luc. 12, 32).

“Christus heeft de wereld overwonnen” (vgl. Joh. 16, 33) en zijn belofte begeleidt ons in de tijd: “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mat. 28, 20).

Christus is met ons. En “indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” (Rom. 8, 31).

“Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, vervolging, honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard?... Maar over dit alles zegevieren wij glanswijk, dank zij Hem die ons heeft liefgehad. Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer” (Rom. 8, 35-39).

Wij moeten er ons steeds meer bewust van worden dat Jezus met ons is, dat “het Rijk God midden onder ons is” (vgl. Luc. 17, 21).

De relatie met God in Christus Jezus door middel van de Heilige Geest moet onze eerste zorg zijn.

Laten wij ons niet laten misleiden door valse profeten die de evangelische boodschap trachten uit te hollen door haar te reduceren tot een humanisme, het christendon te reduceren tot een sociologisme, onze liefde te beperken tot de aarde. “Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen” (1 Kor. 15, 19).

Ieder verhaal van ons over de mens, iedere onmiskenbare en onomwonden aanklacht van ons tegen een wereld die de zwakken afwijst en de machtigen verheerlijkt, ieder partij kiezen van ons voor de onderdrukten en rechtelozen, mensen die worden uitgebuit en die geweld wordt aangedaan, ieder op een harde en besliste wijze in opstand komen van ons door te zeggen “de waarheid zonder naar de ogen te zien” (vgl. Marc. 12, 14), ieder handelen van ons voor de mens kan alleen maar uitgaan van een relatie van ons met God, van een diepe relatie van ons met God. God geeft aan onze relatie met de naaste een basis en een betekenis, het is God die een nieuwe wereld opbouwt. Als wij niet verankerd blijven in God, bouwen wij op zand en is ons gebouw gedoemd in te storten. De psalmist waarschuwt ons niet voor niets: “Als de Heer de woning niet bouwt, werken de bouwers vergeefs. Als de Heer de stad niet beschermd, waakt de wachter vergeefs” (Ps. 127, 1).

Vergis je niet. Alleen Christus kan een stabiel en onwankelbaar fundament zijn van uw handelen: “Treedt toe tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen, maar uitverkoren en kostbaar in het oog van God. Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel. Draagt als een heilige priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus. Daarom staat er in de Schrift: Ik leg in Sion een steen, een uitverkorenen, kostbare hoeksteen. En wie op Hem vertrouwt, zal niet worden teleurgesteld. Kostbaar, dat geldt voor u die gelooft. Maar voor de ongelovigen geldt: De steen die de bouwers hebben afgekeurd, die is de hoeksteen geworden, maar ook een steen waaraan zij zich stoten, een rots waarover zij struikelen. Zij stoten zich, omdat zij het woord weigeren te gehoorzamen; en daartoe waren ze ook bestemd. Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht: gij, vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd” (1 Petr. 2, 4-10).

Nader dus tot Hem, de levende steen. Beschouw dus als jullie eerste taak het gebed. Stel u voor het aanschijn van God. “De Heer is nabij. Weest onbezorgd. Laat al uw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking, en nooit zonder dankzegging. En de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus” (Fil. 4, 5-7).

Wees nooit verzadigd van eigen verworvenheden. Wees nooit tevreden met jullie handelen. “Wee u, die nu verzadigd zijt, want ge zult honger lijden” (Luc. 6, 25).

Wees nooit tevreden in jullie leven met kleine veroveringen en de kleinzielige visies die een christen niet waard zijn. Voor ons is de enige visie, de enige verovering de hele wereld. Wij hoeven niet te schrikken. Wij zullen de hele wereld uit zijn voegen lichten en in vuur en vlam zetten, als wij bereid zijn naar het voorbeeld van Christus Jezus op het kruis in een dwaze gave van liefde te sterven.

“… Een geleerde heeft gezegd: ‘Geef mij een hefboom en een steunpunt, en ik zal de wereld uit zijn voeten lichten’. Wat Archimedes niet heeft kunnen klaarspelen, omdat zijn verzoek niet tot God gericht was en alleen maar een stoffelijke bedoeling had, hebben de heiligen in geheel zijn volheid wel klaargespeeld. De Almachtige heeft hun als steunpunt gegeven: zichzelf en Hem alleen. Als hefboom: het gebed, dat brandt van liefde, en op die manier hebben zij de wereld opgetild. Op deze wijze tillen de strijdende heiligen ook nu nog de wereld omhoog en tot aan het einde der tijden zullen de heiligen die nog komen haar ook omhoog tillen”[1].

“Laat niemand u met loze woorden misleiden” (Ef. 5, 6).

Wees trouw en standvastig in jullie relatie met God. En concentreer jullie leven vooral op de heilige eucharistie.

“Want in de heilige eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus zelf, ons Paaslam en het levend brood dat het door zijn Vlees in de Heilige Geest tot leven gebrachte en tot leven wekende leven schenkt aan de mensen. Dezen worden aldus uitgenodigd en ertoe gebracht om zichzelf, hun arbeid en al het geschapene samen met Hem op te dragen. De eucharistie is daarom duidelijk de bron en het hoogtepunt van heel de prediking”[2].

Met de Kerk bidden en werken wij “opdat heel de wereld, zo groot als ze is, zou binnengaan in het volk van God, het lichaam van Christus en de tempel van de Heilige Geest, en opdat in Christus, het Hoofd van allen, aan de Schepper en de Vader alle eer en heerlijkheid toekomen”[3].

Dit gebed, deze werkelijke en beleefde ontmoeting, die in de Heilige Liturgie “het hoogtepunt waarnaar de Kerk in al haar handelen streeft en tevens de bron waaruit al haar kracht voortvloeit”[4], vindt, zal ons dus niet van de wereld verwijderen, van onze broeders en zusters, van de pelgrimerende mensheid, van de harde en vermoeiende tocht van de mens naar zijn bevrijding.

Immers, “vreugde en hoop, verdriet en angst van de mensen van vandaag, vooral van de armen en van hen die, hoe ook, te lijden hebben, zijn evenzeer de vreugde en de hoop, het verdriet en de angst van de leerlingen van Christus: er is werkelijk niets bij mensen te vinden dat geen weerklank vindt in hun hart. Hun gemeenschap wordt immers juist gevormd door mensen die, verenigd in Christus, door de Heilige Geest worden geleid op hun tocht naar het rijk van de Vader en die de heilsboodschap hebben ontvangen die aan allen verkondigd moet worden. Daarom voelt de Kerk zich werkelijk intiem verbonden met het mensdom en zijn geschiedenis”[5].

Ik denk dat ik in deze twee jaar voldoende heb gehamerd op de dimensies die ons leven moet aannemen. Het aanvaarden van de verticale dimensie, waarmee ons geloof een antwoord is op, een aanvaarden is van, een amen is op het binnenkomen van God in onze geschiedenis, een nieuw leven, een nieuw hart, een nieuwe wijze van denken en handelen, een vergoddelijking, een binnenleiden in het leven zelf van God door zijn zuivere gave. “En het bewijs dat ge zonen zijt: Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader! Je bent dus niet langer slaaf, maar zoon; en als je zoon bent, dan ook erfgenaam, door toedoen van God” (Gal. 4, 6-7).

Over dit onuitsprekelijk geheim, “dat verborgen was voor alle eeuwen en alle generaties, maar dat nu is geopenbaard aan zijn heiligen” (Kol. 1, 26), zullen wij, denk ik, nooit genoeg mediteren, zullen wij nooit te veel in stille contemplatie stil blijven staan.

Uit dit historisch binnenkomen van God in ons leven – zie de Christus! “Het Woord dat vlees is geworden” (Joh. 1, 14), de God-Mens, de verticale-horizontale, “afstraling van Gods heerlijkheid” (Heb. 1, 3), Hij in wie “God heeft willen wonen in heel zijn volheid” (Kol. 1, 19), en in wie Hij “het heelal onder één hoofd zal brengen, alle wezens in de hemelen en alle wezens op aarde” (Ef. 1, 10) – vloeit als consequentie de andere dimensie van ons leven voort: “Dit is de boodschap die gij vanaf het begin gehoord hebt: dat wij elkaar moeten beminnen... Wij zijn overgegaan van de dood naar het leven; wij weten het, omdat wij onze broeders liefhebben. De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood” (1 Joh. 3, 11.14).

Ik zal niet moe worden het tegen jullie te herhalen. Ik zeg het jullie met al mijn kracht die komt van mijn priesterlijk charisma en mijn overweldigende liefde voor jullie. Zoals Jezus tegen zijn leerlingen zei, zeg ik, Emilio, priester van Christus tot in eeuwigheid, tegen jullie: “Gij zijt mijn vrienden, als gij doet wat ik u gebied” (Joh. 15, 14). “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart” (Joh. 13, 34-35).

Als jullie elkaar kunnen liefhebben en jullie elkaar laten liefhebben, als jullie je kunnen laten verteren van liefde door vrij onder elkaar de liefde van Christus te laten rondgaan, dan zullen jullie niets te vrezen hebben, omdat jullie huis op de rots is gegrondvest. “De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij stortten zich op dat huis, maar het viel niet in, want het stond gegrondvest op de rots” (Mat. 7, 25).

“Maakt dan mijn vreugde volkomen door uw eenheid van denken, uw eenheid in de liefde, uw saamhorigheid en eensgezindheid” (Fil. 2, 2).

Raak niet verdeeld, want “elk rijk dat innerlijk verdeeld is, vervalt tot een woestenij; het ene huis valt op het andere” (Luc. 11, 17).

Deze eenheid van liefde onder jullie, een eenheid die alleen maar kan ontstaan, zich kan vernieuwen en hechter kan worden rond het altaar, is de beslist noodzakelijke voorwaarde voor jullie overleven en jullie geloofwaardigheid. “Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart” (Joh. 13, 35).

“Doet dan aan, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft elkander, als de een tegen de ander een grief heeft. Zoals de Heer u vergeven heeft, zo moet ook gij vergeven” (Kol. 3, 12-13). “Verblijdt u met de blijden en weent met hen die wenen” (Rom. 12, 15). “Helpt elkaar zulke lasten te dragen; op die manier zult ge de wet van Christus vervullen” (Gal. 6, 2).

Broeders en zusters, ik bezweer jullie in Christus Jezus: behoudt onder jullie de eenheid van liefde en vrede en bedoelingen en werken. Weest daarom waakzaam: “Wijst de leeglopers terecht, beurt de kleinmoedigen op, ondersteunt de zwakken, hebt geduld met allen. Zorgt dat niemand kwaad met kwaad vergeldt. Streeft steeds naar wat goed is voor elkaar en voor alle mensen. Weest altijd blij. Bidt zonder ophouden. Dankt God voor alles. Dit is het wat God van u verlangt in Christus Jezus. Blust de Geest niet uit, kleineert de profetische gaven niet, keurt alles, behoudt het goede. Houdt u verre van alle soort van kwaad” (1 Tess. 5, 14-22).

Zoek niet persoonlijk, maar gezamenlijk naar een oplossing van jullie problemen. Sla onafhankelijk van de anderen geen wegen in. Laat men niet van jullie zeggen: “Allen gaan zij eigen wegen, belust op eigen baat, allen” (Jes. 56, 11).

Nog meer druk ik degenen die onder jullie door kennis, anciënniteit of vastberadenheid of prestige een overwicht hebben op de anderen, op het hart dat zij “de zwakken geen aanstoot geven” (1 Kor. 8, 9). Ik zeg tegen hen nog meer oplettend, geduldig, verstandig en edelmoedig te zijn, opdat het niet gebeurt dat “ten gevolge van uw kennis de zwakke verloren gaat, de broeder voor wie Christus is gestorven. Door te zondigen tegen de broeders en hun angstvallig geweten te kwetsen, zondigt gij tegen Christus” (1 Kor. 8, 11-12).

Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 _________________

[1] Teresia van Lisieux, Ik geloofde in Gods liefde. Mijn leven. Met een inleiding van Dr. K. De Meester, Carmelitana, Gent 1982, 300-301.

[2] Presbyterorum Ordinis, 5.

[3] Lumen gentium, 17.

[4] Sacrosanctum Concilium, 10.

[5] Gaudium et spes, 1.

 

 

10/04/2014