Homilie tijdens de eremis van Emilio Grasso gehouden op 1 november 1966, in de kerk San Saturnino (Rome), waar hij de dag daarvoor tot priester gewijd was.

In de laatste tijd heb ik vaak aan de diepste motieven gedacht op grond waarvan ik priester word, aan de duidelijkste en zekerste tekenen die mij Christus doen begrijpen, die mij roept en mij als zijn priester voor eeuwig wil.

Nooit heb ik de hele grootsheid en onweerstaanbare aantrekkingskracht van het priesterschap van Christus gevoeld zoals vandaag, nooit ben ik zo vastbesloten geweest om heel mijn leven voor Hem in te zetten zoals vandaag.

Maar wie is die Christus die mij aantrekt, die mij ervan af doet zien om een gezin te stichten, die mij steeds verder voortdrijft puur in vertrouwen op zijn genade?

Enkele maanden nadat ik werd geboren, werd mijn vader geïnterneerd in een concentratiekamp en ik leerde hem pas kennen, toen ik zes jaar was. Er zijn dingen die moeilijk te vertellen zijn, er zijn ervaringen die diepe littekens nalaten, die niet meer helen. Ik herinner mij zeer veel dingen van de oorlog: alarm, vochtige onderkomens, rijen wachtenden voor soep, honger in huis, het lijden van een moeder die geen raad meer weet, het wachten van een zoon om zijn vader te leren kennen. Vanaf toen ben ik met al mijn krachten de oorlog beginnen te haten: dit nutteloze, stupide, dwaze, criminele spel voor misdadigers, dat zoveel onschuldigen doet lijden. Van toen af ben ik beginnen te begrijpen wat honger wil zeggen, onrecht, pijn, een moeder die huilt, kinderen die lijden, rouw en lijden, die op zoveel huizen neerkomen, jongeren die de tijd niet hadden om te leven, lief te hebben, blij te zijn, maar alleen maar die om te sterven.

Ik kende Christus nog niet, maar in mij had ik al nee gezegd tegen zoveel dingen en ja tegen de mens. En mijn leven was getekend: vechten met de mens en voor de mens. Vechten voor vrede, voor gerechtigheid, voor de bevrijding van alle mensen van ieder kwaad, van iedere angst, van iedere belemmering. Opdat er voor allen werk is, voor allen een huis, voor allen die minimale levensomstandigheden zonder welke het leven niet meer menselijk is, maar beestachtig.

Vechten tegen die valse en leugenachtige idolen die ras, kaste, geld, grens heten; idolen die een mens ertoe brengen een mens uit te buiten, een broer ertoe brengen een broer te doden.

En in deze strijd voor de mens was mijn plaats aangegeven: naast de armen, naast hen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, naast de vredestichters, naast hen die worden vervolgd om de gerechtigheid.

Toen begreep ik Christus; hoe Hij ons bevrijdt van alle kwaad, van alle onreinheid. De God die van rijk arm is geworden voor ons; opdat zijn armoede ons rijk maakte. Christus is geheel de mens van de ander die voor de ander sterft. Hij is het die met zijn woord ons bevrijdt van ons bekrompen egoïsme, ons verbroedert, die van ons, verstrooide kudde als wij waren, een gemeenschap van broeders en zusters maakte: één hart, één ziel.

En het priesterschap is voor mij vanuit deze optiek de meest vooruitgeschoven loopgraaf. De priester, een andere Christus, die in de naam van Jezus de verstrooide mensen bijeenbrengt en die als Goede Herder bereid is voor zijn kudde met vreugde zijn leven te geven.

Wee, als wij priesters niet aan alle mensen deze boodschap van hoop, deze boodschap van liefde brengen.

Wee, als wij ons drukken, denken aan onze tafel, aan ons huis, aan onze carrière en wij de vreugde en de hoop, het verdriet en het lijden van de mensen van vandaag, vooral van de armen en van allen die lijden, niet tot de onze maken.

Wee, als wij door ons te verschansen achter een hypocriet en medeplichtig stilzwijgen onze stem niet luid en krachtig verheffen ter verdediging van de mens, wie hij ook zij, telkens wanneer men deze treft, vernedert, uitbuit, doodt.

Door te midden van u te leven, met zovelen van u te spreken van hart tot hart heb ik veel geleerd. Ik dank u, u hebt mij zeer veel geleerd.

Ik heb begrepen waarom er zo een grote haat is tegen ons, priesters, omdat u ons vaak alleen maar ziet als knoeier. Ik heb de beweegreden van de rebellie en de uitdaging jegens ons begrepen. Ik heb begrepen hoe wijzelf meestal de grote steen des aanstoots zijn. Ik heb begrepen waarom er zovelen buiten de Kerk leven, een betere wereld trachten op te bouwen zonder en, indien noodzakelijk, ook tegen de Kerk.

U hebt mij geleerd dat u ons naast u wilt hebben, mensen onder mensen, misschien hebt u het evangelie beter begrepen dan wij; hebt u beter begrepen dan wij dat wij blijven steken in onvruchtbare en nutteloze distincties, in infantiele problematieken, dat wij moeten gaan, zoals Christus ons heeft opgedragen: lammeren tussen de wolven, zonder geld, reistas of reserveschoeisel; zoals de heilige Kerk van God het wil, door met liefdevolle zorg allen die gebukt gaan onder de menselijke zwakheid, te omringen, wat meer is, door in de armen en de lijdenden het beeld van onze arme en lijdende Meester te herkennen en door zorg ervoor te dragen hun armoede te verlichten willen wij in hen Christus dienen (vgl. Lumen gentium, 8).

Ik zei dat voor mij het priesterschap de meest vooruitgeschoven loopgraaf is. Willen wij deze redenering waarmaken, een redenering die geldt voor het gehele volk van God, dan moeten wij priesters in de eerste linie staan: met moed en hartstocht en daarbij ons niet teveel ingraven als kapelaans in de achterhoede.

Ik maak mij geen illusies. Ik weet goed dat bij dit pelgrimeren van ons naar de volheid van de Liefde de duisternis ook het licht kan overweldigen. En de leerling is niet meer dan de Meester. Als ze Hem hebben beledigd, zullen zij ons ook beledigen, over ons leugens verspreiden en kwaad spreken. Maar uiteindelijk zal het Licht het winnen van de duisternis. Christus heeft het beloofd en wij geloven in Christus.

En als dit lijden van ons voor de naam van Jezus Christus zal zijn en voor het welzijn van de arme mensen, vooruit dan, laten wij ons verheugen en juichen: want groot zal ons loon in het rijk der hemelen zijn.

“Sterk in het geloof, verwachten wij de zalige hoop en de heerlijke Verschijning van de grote God en Heiland, Christus Jezus, die ons armzalig lichaam zal herscheppen om het gelijkvormig te maken aan zijn verheerlijkt lichaam en die komen zal om verheerlijkt te worden onder zijn heiligen en gevierd onder al de gelovigen” (Lumen gentium, 48). “Moge Hij geven dat Christus door het geloof woont in ons hart en dat wij in de liefde geworteld en gegrondvest blijven. Mogen wij in staat zijn met alle heiligen te vatten wat de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat. Mogen wij de volheid bereiken die de volheid van God zelf is” (vgl. Ef. 3, 17-19).

“God de Vader en de Heer Jezus Christus mogen u, broeders, vrede geven en liefde met geloof. De genade zij met allen die onze Heer Jezus Christus liefhebben, in onvergankelijkheid” (Ef. 6, 23-24).