Beste vrienden, Op het ogenblik van scheiden na twee jaar, beleefd in een oprechte en hartstochtelijke uitwisseling van onze noden, hoop, angsten, teleurstellingen, illusies, gedachten en activiteiten;
na twee jaar waarin jullie mijn grootste vreugde en zorg zijn geweest, mijn enige angst en troost; na twee
jaar, beleefd in gemeenschappelijk kloppen van ons hart voor de grote problemen van de Kerk en de mensheid, beleefd in deze meeslepende tijd van conciliaire lente, in een ruimtetijdperk waar men zich niet meer kan voorstellen dat de problemen op een amateuristische wijze kunnen worden opgelost; na twee jaar kan ik niet anders dan nog één keer mijn verhaal, mijn overweging, mijn vermaning, mijn bemoediging tot jullie richten.
Ik kan niet anders dan de woorden waarmee de bisschoppen van heel de wereld, verenigd op het Concilie, zich tot alle jongeren richtten, tot de mijne te maken: “...de Kerk is er zeker van dat jullie een dergelijke kracht en een dergelijke vreugde zullen vinden dat jullie zelfs niet, zoals sommigen van jullie vaders, ertoe verleid zullen worden te wijken voor de bekoring van de filosofieën van het egoïsme en het genoegen of die van de wanhoop en het niets; en dat jullie ten overstaan van het atheïsme, een fenomeen van verval en ouderdom, jullie geloof in het leven en wat betekenis geeft aan het leven, zullen weten te bevestigen: de zekerheid van het bestaan van een rechtvaardige en goede God. Het is in de naam van God en zijn Zoon Jezus dat wij jullie aansporen jullie hart te verruimen tot de dimensies van de wereld, te luisteren naar de oproep van jullie broeders en zusters en jullie jonge energie moedig in hun dienst te stellen. Strijd tegen ieder egoïsme, weiger aan de instincten van geweld en haat die oorlog en hun onafzienbare reeks van ellende veroorzaken, de vrije loop te laten. Wees edelmoedig, zuiver, respectvol, oprecht. En bouw met enthousiasme aan een wereld die beter is dan die van jullie ouders!”[1].
Ik verlaat jullie om andere verdwaalde schapen te gaan zoeken.
Ik verlaat jullie en daarbij maak ik de zekerheid van de Kerk tot de mijne: jullie zullen een dergelijke kracht en een dergelijke vreugde weten te vinden dat jullie je geloof in het leven weten te bevestigen en een betere wereld te bouwen.
Ik moet jullie verlaten, omdat ik nu juist met dezelfde liefde als Christus van jullie houd. Er is een evangelische logica van de diaspora, de exodus en het kruis, waar men niet omheen kan, wil men geen smakeloos zout worden “dat noch voor het land noch voor de mest deugt, maar dat men weggooit” (Luc. 14, 35).
Mijn liefde voor jullie is intussen mijn eigen leven zelf. Ik kan mijn leven, mijn liefde niet verliezen. Ik moet het bewaren tot in eeuwigheid, het in bewaring geven “in de hemel, waar geen dief bij komt en geen mot het bederft” (Luc. 12, 33).
Juist omdat ik van jullie, die mijn leven zijn, houd, moet ik jullie verlaten.
Immers, “wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als hij zichzelf hierdoor zijn ondergang en dood berokkent”? (Luc. 9, 25).
Mijn leven, mijn liefde voor jullie redden: mij interesseert niets anders.
Totdat God mij raakte met zijn genade, interesseerde ik mij steeds niet voor mijn naaste. Het is God en
God alleen die mij op de dag dat ik voor de eerste keer verliefd werd, de logica en zijn manier van handelen heeft doen begrijpen: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden” (Mat. 16, 24-25).
Deze “logica” begeleidt mij intussen sinds 12 jaar in mijn leven en brengt mij er steeds toe te verlaten op het ogenblik waarop ik vruchten zou kunnen genieten, te verliezen om weer te vinden.
Het is duidelijk dat ik niet de roeping heb van hem die oogst, maar alleen van hem die zaait. En na te hebben gezaaid moet ik weggaan, zonder de oogst te zien. Anderen zullen hem zien, anderen zullen oogsten.
Ik moet jullie bekennen dat ik het niet leuk vind en dat ik menselijk eronder lijd. Maar wat heeft dat te betekenen? “Noch hij die plant, betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God, die de wasdom geeft” (1 Kor. 3, 7).
Immers, “wij zijn onnutte knechten; wij hebben alleen maar onze plicht gedaan” (Luc. 17, 10).
Als ik zou blijven om jullie te koesteren, zou ik het evangelie van Jezus verraden.
Ik zou zijn plaats innemen, ik zou jullie tot mijn slaven maken, ik zou jullie de vrijheid ontnemen die Christus jullie heeft gegeven en die niemand jullie mag ontnemen.
Ik zou voor jullie als de vaders zijn die niet in staat zijn hun kinderen hun leven te laten leiden. Als de moeders die hun kinderen niet kunnen loslaten, maar hen blijven vasthouden met een nooit afgesneden navelstreng.
Het is intussen voor jullie noodzakelijk dat ik ga. Emilio mag in jullie niet de plaats van Jezus innemen. “Hij moet groter worden maar ik kleiner” (Joh. 3, 30).
Geen mens, en nog minder ik, is het Absolute. Wij moeten ons bevrijden van alle mythen, van alle verabsoluteerde betrekkelijkheden.
Men moet ieder zijn juiste plaats weer weten te geven. Wee, als wij de mythen van de ene kleur vervangen door die van een andere, als wij in de plaats van sommige schema’s andere schema’s gebruiken, als wij in vergelijking met sommige ervaringen andere ervaringen verabsoluteren.
Wij moeten de moed hebben te kunnen “ontmythologiseren”, en vooral die “wereldse” mythen die de mens nog meer dan vroeger tot slaaf maken.
Wij moeten ons werkelijk en onlosmakelijk verenigen met de Enige die ons bevrijdt en ons verwezenlijkt, met de Enige en Absolute Waarheid die overstijgt en door geen enkele gedeeltelijke waarheid uitputtend wordt behandeld.
Ieder van ons, en hierbij ook ik, heeft een waarde als getuige van het Absolute. Ook ik, en ik denk dat ik mij niet vergis, heb jullie gediend door jullie kennis te laten maken met en binnen te leiden in het leven van God.
Maar juist opdat mijn leven jullie nog van dienst kan zijn, moet ik in staat zijn jullie te verlaten, te sterven aan jullie. “Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort” (Joh. 12, 24).
Jullie verlaten is voor mij een sterven geweest en is dat nog, ook al heb ik dat niet getoond. Ik merk dat ik zeer veel van jullie houd en jullie mis.
Ik mis ieder van jullie, omdat ik van ieder van jullie heb gehouden en nog houd en ik voel dat alsof hij nu aan mij ontrukt is.
Want jullie zijn mijn kinderen, mijn vlees en bloed, mijn geest, mijn leven, mijn wezen. “Want al hadt gij in
Christus duizend opvoeders, gij hebt maar één Vader. Ik ben het die u door het evangelie in Christus Jezus heb verwekt” (1 Kor. 4, 15).
Mijn menselijke kracht, mijn gehechtheid aan jullie kan, mag niet mijn priester zijn verwoesten. Als priester ben ik te midden van jullie gekomen, als herder gezonden door de enige Herder die telt. Ik ben vóór alles immers priester van Jezus Christus in eeuwigheid en daarom “is mijn naijver voor u de naijver van God zelf. Met uw enige bruidegom Christus heb ik u verloofd om u als een ongerepte maagd tot Hem te voeren” (2 Kor. 11, 2).
Jullie moeten van het evangelie dat ik jullie heb gepredikt, afgunstige bewakers zijn. Jullie mogen niet toelaten dat iemand daaraan komt, niemand mag jullie vrijheid verstoren, die van het evangelie komt dat ik jullie heb toevertrouwd. Wees er zeker van. Twijfel er niet aan.
“Weest op uw hoede, zorgt dat ge u niet laat meeslepen door waardeloze, bedrieglijke theorieën en puur menselijke bedenksels, die de machten van de kosmos verheerlijken, maar Christus bestrijden” (Kol 2, 8).
“Maar er is geen ander [evangelie]... Maar al zouden wijzelf of een engel uit de hemel een ander evangelie verkondigen dan wij u verkondigd hebben: hij zij vervloekt! (Vgl. Gal. 1, 7-8).
Blijf trouw aan dit evangelie van waarheid en leven, heiligheid en genade, gerechtigheid en vrijheid, liefde en vrede, aan dit evangelie van Onze Heer Jezus Christus. ”Gij moet een leven leiden dat het evangelie van Christus waardig is. Dan zal ik, als ik u kom bezoeken, met eigen ogen zien of anders over u horen dat gij vast staat in een en dezelfde geest, eensgezind strijdend voor het geloof in het evangelie, zonder dat gij u ook maar in het minst door de tegenstander laat intimideren” (Fil. 1, 27-28).
“Houdt vast aan het woord des levens. Dan kan ik, als de dag van Christus komt, er trots op zijn dat mijn werk en mijn inspanning niet vergeefs zijn geweest” (Vgl. Fil. 2, 16).
Rome, 20 juni 1969

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
_________________
[1] Tweede Vaticaans Concilie, Boodschap aan de jongeren (8 december 1965).
02/04/2014