Comunità Redemptor hominis 
Via Radici in Piano, 15/A – 41049 Sassuolo (MO) 
C.F. 91009340356

 

 

Het bisdom San Lorenzo (Paraguay) heeft een oppervlakte van 1.944 km2 en een bevolking van 894.000 inwoners, waarvan 793.000 katholieken.

In wezen is het een stedelijk gebied: dat van de buitenwijken van Asunción met zijn satellietsteden. Het herbergt de campus van de nationale universiteit.

Het bisdom beantwoordt aan een aanzienlijk stuk van het Departamento Central, dat het kleinste, maar het dichtst bevolkt is en in het land het beste niveau van infrastructuur en de hoogste indices van menselijke ontwikkeling heeft na de hoofdstad; hoe dan ook indices die duidelijk liggen beneden die van Argentinië, Brazilië en Uruguay. Een groot gedeelte van de weinige industrie van het land is hier geconcentreerd.

Het gebied met vlakland en heuvels strekt zich uit tot aan de twee belangrijkste meren van het land, het Ypacaraí-meer en het Ypoa-meer, die de grenzen respectievelijk met het Departamento de Cordillera en het Departamento de Paraguarí vormen.

Het klimaat is subtropisch met in de zomer maximumtemperaturen rond 40° C en minima die in de winter ook kunnen dalen tot 0° C. De seizoenen zijn niet duidelijk bepaald op grond van de warmte die vaak ook in de winter overheerst. De overvloedige neerslag is over het hele jaar verspreid. Door de hoge vochtigheid wordt het gevoel van warmte verstikkender.

Deze streek, historisch bekend als “Comarca asuncena” werd het eerst bevolkt. Verschillende steden werden reeds in de 16e en 17e eeuw gesticht als garnizoensplaatsen en militaire forten of als Reducciones, vooral het werk van de franciscaan Luis de Bolaños, terwijl andere ontstonden in de 18e eeuw rond kapellen die het middelpunt waren van evangelisatie. De stad San Lorenzo, zetel van het bisdom, ontstond in de 16e eeuw als vestiging van enkele families van landbouwers, die op plantages werkten die het eigendom waren van de jezuïeten.

Tegenwoordig kent de streek een snelle demografische groei, omdat zij het doel is van een massale interne immigratie, die gepaard gaat met een groeiende economische ontwikkeling, die haar diepgaand onderscheidt van het zogenaamde, nog zuiver agrarische “interior” en ten grondslag ligt aan het opkomen van levensstijlen die worden gekenmerkt door de moderne en bij tijd en wijle postmoderne cultuur.

Vanuit maatschappelijk standpunt bezien wordt het gebied van het bisdom gekenmerkt door hoge indices van ongelijkheid, daar een groot gedeelte van de bevolking in hachelijke omstandigheden leeft en weinig mogelijkheden heeft van toegang tot de wezenlijke diensten, vooral op het vlak van de gezondheidszorg.

Het bisdom San Lorenzo is in het jaar 2000 ontstaan uit het opsplitsen van een aanzienlijk gedeelte van het gebied van het aartsbisdom Asunción.

Op 14 juli 2015 is Mgr. Joaquín Hermes Robledo Romero tot bisschop van het bisdom benoemd.

Dit kerkelijke district kan rekenen op 23 diocesane priesters en 15 priesters die behoren tot religieuze instituten, hetgeen beantwoordt aan een percentage van meer dan 20.000 katholieken per priester, duidelijk ongunstig ten opzichte van het gemiddelde van Latijns Amerika (ongeveer 7.000 per priester) en Europa (ongeveer 1.500 per priester).

De economische en maatschappelijke context maakt de traditionele religiositeit waarvan de rurale wereld nog doordrenkt is, snel verouderd en dwingt ertoe de oude pastorale paradigma’s opnieuw ter discussie te stellen.

Vanaf het begin van haar aanwezigheid in het bisdom San Lorenzo een aanwezigheid die in het begin uitsluitend uit vrouwen bestond en samenviel met de stichting zelf van het bisdom heeft de Gemeenschap Redemptor hominis een bijzondere bijdrage willen leveren aan het bepalen van een diocesaan pastoraal plan, dat in 2010 definitief werd uitgewerkt en werd opgezet rond vier lijnen: vorming, antropologische dimensie, gemeenschap, bekering en verzoening.

In december 2002 heeft het bisdom met een speciale overeenkomst aan onze Gemeenschap de parochie Sagrado Corazón de Jesús in de stad Ypacaraí toevertrouwd.

In het bisdom San Lorenzo is ook het Centro de Estudios “Redemptor hominis” gevestigd.

Michele Chiappo

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

Het bisdom Reggio Emilia-Guastalla heeft een oppervlakte van 2.394 km2 en een bevolking van ongeveer 555.549 inwoners.

Het gebied van het bisdom Reggio Emilia-Guastalla strekt zich met inachtneming van de geografische vorm van de provincie uit van noord naar zuid, maar sluit ook enkele gemeenten van de provincie Modena in, zoals Sassuolo, Prignano en een gedeelte van het gebied Montefiorino. Het loopt van het Po-gebied in het noorden tot aan de bergrug van de Toscaans-Emiliaanse Apennijnen in het zuiden, waar de Monte Cusna met zijn 2.120 m. hoogte oprijst.

Het klimaat laat al naar gelang de streek verschillende eigenschappen zien. De zomers zijn zeer warm met temperaturen boven de 30° C met een hoog vochtigheidsgehalte. De winter is zeer streng met een allesbepalende bewolking, vooral in het laagland richting Po en aanzienlijke sneeuwbuien in de streek van de Apennijnen.

De recente geschiedenis van de stad en de provincie Reggio Emilia is diepgaand getekend door de Tweede Wereldoorlog. Het gebied van Reggio Emilia wordt een plaats van de vorming van bendes partizanen in het geheel van de politieke en militaire bewegingen die de naam van “Resistenza” (Verzet) zullen krijgen en die zich na het afkondigen op 8 september 1943 van de wapenstilstand van Cassibile verzetten tegen het nazifascisme in het kader van de bevrijdingsoorlog van Italië.

25 april 1945 betekent een historische ommekeer: het democratisch bestuur wordt hersteld, eerst onder leiding van de CLN (Comitato di Liberazione Nazionale = Comité van Nationale Bevrijding), dat de gewapende strijd had gevoerd, vervolgens bij de eerste verkiezingen van 1946 met een democratisch bestuur. Reggio ziet onmiddellijk de overheersing van de PCI (Partito Comunista Italiano = Italiaanse Communistische Partij). Het klimaat van de periode na de oorlog werd echter overschaduwd door talrijke politieke moorden door communistische bendes ten opzichte van politieke tegenstanders of kerkelijke personen in de zogenaamde “driehoek van de dood”.

De economische ontwikkeling leidt tot een sterke emigratie vanuit Zuid-Italië, in het bijzonder Calabrië en het dorp Cutro met mensen die voornamelijk werken in de bouwsector. De jaren ’70 en ’80 laten een sterke economische ontwikkeling zien in verband met de productie van “keramiek”. De ontwikkeling van het district kan in wezen in verband worden gebracht met het beschikbaar zijn van de grondstof die afkomstig is uit de groeven in de streek van de Apennijnen, en met een traditie in het produceren van keramiek waarvan in de historische archieven sporen te vinden zijn vanaf de 18e eeuw.

Vanaf de jaren ’80 laat de welvaart die bereikt is met de ontwikkeling van de belangrijkste productiesectoren, Reggio Emilia een van de eerste plaatsen innemen in de nationale ranglijsten voor economische niveaus en enkele dienstverleningen (waaronder de gemeentelijke kleuterscholen in het oog vallen).

Tussen 2000 en 2009 heeft de provincie Reggio Emilia een aanzienlijke toename gezien van immigratie uit het buitenland. De typologie van de immigranten is zeer gevarieerd: in het gebied zijn 136 nationaliteiten aanwezig (een nationaal record); in bijna 60% betreft het echter voornamelijk 6 landen (Marokko, Albanië, India, Pakistan, China en Roemenië).

Werd tot eind jaren ’90 de immigratie uit Zuid-Italië en uit het buitenland begroet als een factor van ontwikkeling die in verband staat met de economische groei, dan begon deze mettertijd - nog vóór de recente economische crisis - problemen te veroorzaken betreffende de integratie, die vandaag nog moeilijker wordt gemaakt door het in de hele westerse wereld verspreide verschijnsel van de crisis in de structuren van de maatschappij en het gezin. De economische stagnatie-recessie van de laatste twee jaar begint competitieproblemen te veroorzaken tussen autochtonen – en immigranten uit Zuid-Italië – en vreemdelingen betreffende de middelen, waarvan men zich realiseert dat ze aan het afnemen zijn.

Bij deze indrukwekkende verandering komen signalen van moeilijkheden die door maatschappelijke lagen worden ondervonden die tot nu toe nooit het risico van armoede hebben gekend.

Enkele van die signalen zijn nauw verbonden met de recente economisch-financiële crisis: het aantal personen in de bijstand en op zoek naar werk bereikt de 20% van de provinciale werkkracht, met te voorziene risico’s van het ontstaan van maatschappelijke conflicten.

Er is onbetwistbaar een verandering van culturele en antropologische aard aan de gang van de gens reggiana, en wel zodanig dat deze de relatie tussen plaatselijke ontvangende autochtone gemeenschap en de verschillende culturele platforms die binnen het gebied aanwezig zijn, aantast.

De oorsprong van het bisdom Reggio Emilia wordt traditioneel gedateerd in de 1e eeuw, maar men heeft alleen betrouwbare historische documenten over een bisschop van Reggio alleen vanaf 451, het jaar waarin Faventius deelnam aan het Concilie van Milaan.

Oorspronkelijk een suffragaanbisdom van het aartsbisdom van Milaan, ging het in de 7e eeuw deel uitmaken van de kerkprovincie van het aartsbisdom Ravenna. Op 10 december 1582 werd het een suffragaanbisdom van Bologna.

Het bisdom Guastalla is op 18 september 1828 opgericht.

Op 22 augustus 1855 gingen de twee bisdommen deel uitmaken van de kerkprovincie van het aartsbisdom Modena.

Op 10 februari 1973 werd mgr. Gilberto Baroni, reeds vanaf 1965 bisschop van Reggio Emilia, ook tot bisschop benoemd van Guastalla en verenigde zo de twee bisdommen in persona episcopi.

Op 30 september 1986 werd krachtens het decreet Instantibus votis van de Congregatie voor de bisschoppen de plena unio van de twee bisdommen bepaald en heeft het nieuwe kerkelijke district zijn huidige naam gekregen.

Bisschopszetel is de stad Reggio Emilia, waar zich de kathedraal bevindt die gewijd is aan Maria-ten-Hemel-Opneming, een romaans gebouw en voorwerp van talrijke verbouwingen en veranderingen in de loop der eeuwen, een plaats in het historisch centrum van de hoofdstad van Emilia. In Guastalla bevindt zich de tweede kathedraal die gewijd is aan de heilige apostel Petrus.

Vanaf december 2012 wordt het bisdom bestuurd door bisschop mgr. Massimo Camisasca.

Het bisdom is onderverdeeld in 318 parochies, gegroepeerd in 11 vicariaten. Het kan rekenen op 296 priesters, van wie er 256 seculier, 32 regulier en 8 buitendiocesaan met een aanstelling binnen het bisdom zijn.

Het draagvlak van de pastorale lijnen van het bisdom zijn de traditionele lijnen van de ontwikkeling van en de zorg voor de liturgie, de vorming van de gelovigen en de organisatie van de caritas, sterk in de ervaring van de “Case della Carità” (huizen van de caritas) die don Mario Prandi voor het eerst had opgedaan, die er de ziel van zijn, maar ook in de Caritas-groepen en in andere parochiële initiatieven en organisaties.

Aanzienlijk ontwikkeld is het discours betreffende de ambten, vooral inzake het permanente diaconaat dankzij het werk van de onvergetelijke don Alberto Altana. Tegenwoordig zijn er in het bisdom 102 permanente diakens aanwezig.

In het voetspoor van zijn voorgangers wil mgr. Camisasca een bijzondere impuls geven aan de gezins- en de jeugdpastoraal. Gevoelig voor de wereld van de missie, heeft het bisdom 5 diocesane missies: Madagascar, India en Albanië, toevertrouwd aan de pastorale zorg van de “Case della Carità”, en Brazilië en Rwanda, toevertrouwd aan de diocesane priesters.

Een andere prioriteit van de locale Kerk is de relatie met de immigranten.

De Gemeenschap Redemptor hominis is vanaf het midden van de jaren ’70 aanwezig in het bisdom, in de stad Sassuolo (MO). Hieraan zijn de parochies Cadiroggio, in de gemeente Castellarano (RE), en Villalunga, in de gemeente Casalgrande (RE), toevertrouwd.

Vanaf haar vestiging in het diocesane gebied heeft de Gemeenschap getuigenis afgelegd van haar inzet in de wereld van de arbeid, vooral de vrouwelijke gemeenschap, eerst in de keramiekindustrie en vervolgens in de ziekenhuiswereld.

In de jaren ’80 en ’90 is de Gemeenschap ook aanwezig geweest in de wereld van de school met katholiek godsdienstonderwijs in verschillende instituten van Sassuolo.

In Sassuolo bevindt zich de vestiging van het Missiebureau Redemptor hominis en via dit bureau organiseert de Gemeenschap de activiteiten van missionaire animatie en verzorgt zij de initiatieven op het gebied van uitgaven in verband met de activiteiten van het Centro studi Redemptor hominis.

Sandro Puliani

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

Het bisdom Mbalmayo strekt zich uit ten zuiden van Yaoundé, de hoofdstad van Kameroen, over een gebied van ongeveer 11.664 km2 en beslaat twee departementen van de regio van het Centrum: “Nyong-et-Soo” en “Nyong-et-Mfoumou”.

Het telt een bevolking van 323.000 inwoners, waarvan 194.700 katholieken. Er zijn twee culturele gebieden aanwezig: het gebied dat verbonden is met het Beti-volk in “Nyong-et-Soo”, en het gebied van de Maka-volken in “Nyong-et-Mfoumou”.

Het gebied ligt midden in de equatoriale zone, gekenmerkt door de aanwezigheid van een oerwoud dat steeds kleiner is geworden ten gevolge van roofbouw door de ontginning van bos en door landbouw. Het klimaat, dat door sterke neerslag en overvloedige vochtigheid wordt gekenmerkt, omvat vier verschillende seizoenen: twee droge seizoenen in afwisseling met twee seizoenen met regens van een verschillende intensiteit.

De landbouw vormt de enige bron van inkomsten van deze streek vooral dankzij de productie van cacao, koffie en het verbouwen van middelen voor de voeding. De roofbouw op het woud voor houtsoorten eerste klasse is voornamelijk gericht op de export. Vanaf de jaren ’30 van de vorige eeuw droeg de intensivering van de koloniale economie bij aan de ontwikkeling van het oude Duitse bestuurscentrum, Vimli genaamd en vervolgens Mbalmayo genoemd naar de naam van een aanzienlijk iemand die daar woonde.

In de jaren ’50 bereikte deze beweging in de ontwikkeling haar hoogtepunt. Zij werd gekenmerkt door de verwezenlijking van verschillende stedelijke infrastructuren en door een immigratiegolf, ook uit de meest verafgelegen streken van het land, die van Mbalmayo een multi-etnische stad maakte.

Van het leven van Mbalmayo in het koloniale tijdperk resten als bevoorrecht getuigenis de romans Ville cruelle uit 1954 en Le pauvre Christ de Bomba uit 1956 van de beroemde schrijver Alexandre Biyidi, beter bekend onder de pseudoniemen Eza Boto en Mongo Beti. De juist in die jaren in de stad bedreven beestachtige misdaden en de publieke terechtstellingen die erop volgden, zorgden ervoor dat de titel van de roman Ville cruelle intussen de nieuwe bijnaam van Mbalmayo werd.

Op 22 augustus 1961 waren de inwoners van de stad in het klimaat van gisting van de onafhankelijkheid verbaasd en trots als hun nieuwe herder mgr. Paul Etoga, de eerste gekleurde bisschop van Franstalig Afrika, te mogen ontvangen. De begeleiding van jonge seminaristen en de vorming van catechisten waren samen met een bijzondere aandacht voor de problemen van het bevorderen van een menswaardig bestaan zijn pastorale prioriteiten.

Ten gevolge van de effecten van de revolutie in het vervoer die de handel met Yaoundé en Douala, de economische hoofdstad van het land, vergemakkelijkten en zo de her en der verspreide filialen in het gebied van de exportfirma’s achterhaald maakten, werden de jaren ’60 echter gekenmerkt door een geleidelijke achteruitgang van Mbalmayo, die nog werd benadrukt door de daarop volgende economische crises.

De stad blijft echter een knooppunt van fundamenteel belang voor de verbindingen en een belangrijk bestuurscentrum. Zij trekt vooral de jongeren aan uit het platteland van het Centrum en het zuiden dankzij de aanwezigheid van talrijke middelbare scholen. Enkele, nog functionerende fabrieken voor de bewerking van hout maken van Mbalmayo praktisch het enige industriële centrum van de streek. In de laatste jaren zijn er dankzij internationale samenwerking enkele projecten in gang gezet met het oog op de uitbreiding en modernisering van de stedelijke sector en het versterken van het toeristisch potentieel.

Op 15 november 1984 werd mgr. Adalbert Ndzana, de huidige bisschop van Mbalmayo, benoemd tot hulpbisschop en op 27 maart 1987 volgde hij mgr. Paul Etoga op.

Mgr. Adalbert Ndzana, geboren op 17 juli 1939, is priester gewijd op 15 augustus 1969 na in Rome aan het Collegio Pontificio van Propaganda Fide zijn theologische studie te hebben voltooid. Op 20 januari 1985 is hij bisschop gewijd en hij koos als wapenspreuk Et veritas liberabit vos.

Vanaf het begin wordt zijn ambt gekenmerkt door een inzet ten gunste van de gezinnen en de jeugd. Mgr. Adalbert Nzdana heeft bovendien in het bijzonder aandacht besteed aan de permanente vorming van zijn priesters, van wie er tegenwoordig verschillenden zijn belast met de opleiding in de seminaries in de provincie en het onderwijs aan de Katholieke Universiteit van Yaoundé.

In diezelfde periode zijn talrijke parochies gesticht. Tegenwoordig telt het bisdom Mbalmayo 80 parochies - waarvan de oudste, Minlaba, in 1912 is opgericht - en het priestercollege ervan bestaat uit ongeveer 90 priesters, onder wie een tiental religieuzen.

Talrijke werken op het gebied van het bevorderen van een menswaardig bestaan zijn er verwezenlijkt ten dienste van de opvoeding van de jeugd en de verbetering van de infrastructuur van de gezondheidszorg. Voor een verdieping van het geestelijke leven van de gelovigen heeft het bisdom zich voorzien van twee centra voor retraites en, niet te vergeten, het heiligdom “Maria, Koningin van de vrede”, gebouwd op de rotsachtige heuvel die de stad beheerst.

Nu intussen de fase van de plantatio Ecclesiae is voltooid, is het bisdom Mbalmayo vandaag bezig met de nieuwe fase van de verdieping van het geloof. Deze verdieping is niet alleen een geloofwaardig antwoord op de door sektes gevormde uitdagingen, maar vooral een garantie dat alle werken trouw kunnen blijven aan hun identiteit, aan de dienst van de evangelisatie en binnen een maatschappij die verdeeld is tussen traditie en moderniteit, zuurdeeg van verzoening, gerechtigheid en vrede kunnen zijn.

De Gemeenschap Redemptor hominis is sinds 1990 aanwezig in het bisdom Mbalmayo; in 1995 is haar de pastorale zorg toevertrouwd voor de parochie Bienheureuse Anwarite van Obeck.

Vanaf het begin is de tegenwoordigheid van de Gemeenschap in het bisdom geregeld door een Overeenkomst, die in 2013 is aangepast. De Gemeenschap Redemptor hominis is in 1988 ook civielrechtelijk in Kameroen erkend.

Op het niveau van de parochie Bienheureuse Anwarite van Obeck wordt de inzet van de Gemeenschap vooral gekenmerkt door de permanente vorming van de gelovigen door middel van het oprichten van de School voor de vorming van leken, een vorming die het naar voren komen van enkele prioriteiten heeft mogelijk gemaakt, zoals de pastoraal van de verantwoordelijkheid en de deelname aan de zelffinanciering van de parochie, de aandacht voor de armsten met de tegenwoordigheid van de Caritas-groep, en de begeleiding van de jongeren.

De leden van de Gemeenschap Redemptor hominis in Mbalmayo werken actief mee aan de opbouw van de plaatselijke Kerk door middel van de inzet op het gebied van de vorming van  leken, religieuzen en priesters; gedurende ongeveer tien jaar hebben zij bovendien ook het coördineren van de pastoraal onder de studenten in de stad zeker gesteld.

Bij de vestiging van de Gemeenschap in Mbalmayo bevindt zich het Centre d’Études Redemptor hominis voor het bevorderen van de pastoraal van de cultuur.

Franco Paladini

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

...

...

 

 

 

De Gemeenschap Redemptor hominis, die bestaat uit een mannelijke en vrouwelijke tak, priesters en leken met één spiritualiteit, zag haar eerste kern ontstaan rond 1970, toen Emilio Grasso, priester van het bisdom Rome, met verlof van de kerkelijke autoriteiten ging wonen te midden van de barakbewoners van de kleine voorstad Alessandrino, dicht bij het gebied van Quarticciolo om daar zijn ambt uit te oefenen. In die context van actief apostolaat ten dienste van de armen en de gemarginaliseerden verenigde zich een groep jongeren rondom hem, aangetrokken door zijn woord en zijn getuigenis. De leden werden in het gebied van de barakbewoners op informele wijze bekend als de “Monniken van de Vader”. Deze historische oorsprong, concreet beleefd naast de armen en de jongeren van de Romeinse barakken, drukte op fundamentele wijze zijn stempel op de ervaring van Emilio en de identiteit van de nieuwe Gemeenschap die aan het ontstaan was.

Midden jaren ’70 verhuisde de Gemeenschap, die licht in aantal was gegroeid, om te gaan leven in twee verlaten kloosters, een voor mannen en een voor vrouwen, in Midden-Italië. In die jaren, die werden gekenmerkt door spanningen en onbegrip van buiten, die de Gemeenschap al zeer snel opriep, vestigden zich enkele leden in het Nederlandse bisdom Roermond, terwijl anderen verhuisden naar het bisdom Hasselt op uitnodiging van de respectievelijke bisschoppen. In diezelfde periode vestigde de Gemeenschap zich ook in Sassuolo, in Italië, in het bisdom Reggio Emilia-Guastalla (de volledige vereniging van de twee bisdommen en het nieuwe kerkelijke gebied werd op 30 september 1986 tot stand gebracht). Vervolgens vond ook buiten Europa een uitbreiding van de Gemeenschap plaats: in Kameroen (1977) en in Paraguay (1981).

De eerste officiële juridische erkenning door de kerkelijke autoriteiten gaat terug tot 1981, toen de Gemeenschap werd opgericht door de bisschop van Hasselt, mgr. Jozef-Maria Heusschen, als “Pia Unio Redemptor hominis”. Hierin werden, behalve de leden die leefden en werkten in België, ook anderen opgenomen die werkten in Nederland, Kameroen en Paraguay.

In 1983 werd een tweede formele erkenning gegeven door de bisschop van Reggio Emilia-Guastalla, mgr. Gilberto Baroni, met een decreet betreffende de oprichting van de Gemeenschap, met de dezelfde naam, dezelfde Statuten en spiritualiteit als de Pia Unio van Hasselt. In deze vereniging werden de leden die in Italië leefden en enkelen die in Kameroen en Paraguay werkten, opgenomen.

Dit kerkrechtelijk dubbelbestaan hield op in 1990 met de wettelijke eenmaking van de Gemeenschap onder verantwoordelijkheid van de bisschop van het moederbisdom Hasselt, dat wordt beschouwd als het bisdom van oprichting van de Gemeenschap Redemptor hominis. De Gemeenschap werd erkend als een “Publieke vereniging van christengelovigen”, volgens de normen van het nieuwe Wetboek van Canoniek Recht. Ook werden in 1990 de Statuten aan de nieuwe normen van het Wetboek van Canoniek Recht aangepast en ad experimentum goedgekeurd.

Op 27 mei 2013 heeft de bisschop van Hasselt, mgr. Patrick Hoogmartens, de nieuwe veranderingen in de Statuten goedgekeurd, die voor een periode van tien jaar ad experimentum van kracht blijven.

Op dit ogenblik hebben de bisschoppen van de bisdommen waarin de Gemeenschap leeft en werkt, de uitbreiding formeel juridisch goedgekeurd, dat wil zeggen de aanwezigheid en het werken van de Gemeenschap in hun bisdom. Met deze juridische handeling is ook een overeenkomst verbonden die de wederzijdse rechten en plichten bepaalt tussen het bisdom waar wij aanwezig zijn, en de Gemeenschap.

Zowel in Kameroen als in Paraguay heeft de Gemeenschap op beslissende wijze bijgedragen aan de plantatio Ecclesiae in de volgende missieposten:

      .Bétaré-Oya, Moloundou (het vroegere bisdom Doumé);

      .Melen Baaba, Nkol Messi, Nkum Ekyé, Ozom (aartsbisdom Yaoundé);

      .Nyamanga, Mbangassina (bisdom Bafia);

      .Capitán Bado (bisdom Concepción);

      .Tacuatí (bisdom San Pedro).

Toen deze activiteit eenmaal was tot stand gebracht, heeft de Gemeenschap, steeds in overeenstemming met de bisschoppen van de afzonderlijke bisdommen, deze missieposten verlaten.

Toen de typische “status van gemeenschap in wording” voorbij was, men een vorm van geïnstitutionaliseerde stabiliteit had bereikt en de fase van de plantatio Ecclesiae op verschillende plaatsen was afgesloten, kwam de Gemeenschap in een toestand van crisis terecht en voelde zij de behoefte aan zichzelf vragen te stellen over de eigen identiteit en diep opnieuw na te denken over de redenen en wijzen van haar bestaan, daarbij rekening houdend met de veranderde historisch-maatschappelijke omstandigheden.

Bij deze nieuwe uitdaging waarop de Gemeenschap geroepen is in te gaan, speelt het “Studiecentrum Redemptor hominis”, vrucht van de reflectie over haar theologische, missionaire en pastorale ervaring, een primaire rol. Het is een noodzakelijk deel van de apostolische activiteit die de Gemeenschap ontwikkelt, en het tracht een activiteit te ontwikkelen die in staat is te antwoorden op de “tekenen van de tijd” en de verwachtingen van het volk van God, het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de verschillende missionaire situaties en in het bijzonder aan die van de scheiding tussen geloof en cultuur als drama van onze tijd.

De Gemeenschap is altijd een gemeenschap gebleven die uit een klein aantal leden bestaat. Zij tracht tegenwoordig met een grote innerlijke vrijheid, in trouw aan de geest van de oorsprong en de nood van de Kerk die in de wereld van vandaag leeft, in het klein de grote intuïtie van de heilige Johannes XXIII te beleven: “De katholieke Kerk is geen archeologisch museum. Zij is de oude dorpsfontein die water geeft aan de generaties van vandaag, zoals zij dat gaf aan die van het verleden” (Johannes XXIII, Homilie, 13 november 1960).

De Gemeenschap houdt het bewustzijn levend van hetgeen door de heilige Johannes Paulus II is gezegd: “Geen enkele vorm van gewijd leven heeft de zekerheid eeuwig te blijven bestaan. De afzonderlijke religieuze gemeenschappen kunnen uitsterven. … De garantie eeuwig te blijven bestaan tot aan het einde van de wereld, die aan de Kerk in haar geheel is gegeven, wordt niet noodzakelijk aan de afzonderlijke religieuze instituten verleend” (Johannes Paulus II, Algemene audiëntie, 28 september 1994).

Zij weet dat zij kan uitsterven, omdat zij geen enkele garantie heeft eeuwig te blijven bestaan.

Daarom beleeft zij met de Kerk en in de Kerk sereen “haar pelgrimstocht dwars door de vervolgingen van de kant van de wereld en de vertroostingen van de kant van God heen” (Lumen gentium, 8), met een grote aandacht voor het zich openbaren van de wil van de Heer.

In haar korte geschiedenis heeft de Gemeenschap op harde wijze negatieve pastorale resultaten ervaren die voortkomen “uit activisme en een te groot vertrouwen op structuren” (vgl. Paus Franciscus, Homilie, 7 juli 2013).

Ook dankzij haar mislukkingen heeft zij begrepen dat “de werklieden voor de oogst niet worden gekozen door een beroep op de dienst van de edelmoedigheid, maar dat zij worden gekozen en gezonden door God. Hij is het die kiest, Hij is het die zendt, Hij is het die de zending geeft” (vgl. Paus Franciscus, Homilie, 7 juli 2013).

Zij is zich vandaag ervan bewust dat “de verspreiding van het evangelie niet wordt gegarandeerd door het aantal personen, noch door het prestige van een instituut, noch door de hoeveelheid beschikbare middelen. Wat telt is doordrongen te zijn van de liefde van Christus, zich te laten leiden door de Heilige Geest en het eigen leven te enten op de boom van het leven, die het kruis van de Heer is” (Paus Franciscus, Homilie, 7 juli 2013).

In trouw aan de eigen oorsprong van de roeping en met respect voor haar Statuten is de Gemeenschap geroepen, als een conditio sine qua non voor haar overleven, de Kerk te verrijken met de gaven die zij heeft ontvangen en vrucht heeft doen dragen, omdat dit alleen het kerkelijk bestaan ervan rechtvaardigt.

Emilio Grasso

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)