Afdrukken

 

Ik ben diep onder de indruk van de eerste toespraken en homilieën van paus Franciscus.

Ik heb mij verplicht gevoeld zonder enige aanmatiging de oorsprong van mijn roeping en de eerste jaren van mijn priesterambt, de jaren die heel mijn leven hebben gebrandmerkt, te vergelijken met dit binnenstromen van een lentebries in het leven van de Kerk.

Vanaf zijn allereerste woorden heeft paus Franciscus ons opgeroepen “geen angst te hebben voor de genade, geen angst te hebben buiten onszelf te treden, geen angst te hebben buiten onze christelijke gemeenschappen te treden om de 99 die niet thuis zijn, te gaan zoeken. En met hen een dialoog aan te gaan en hun te zeggen wat wij denken, onze liefde, die Gods liefde is, te gaan laten zien”[1].

Hij blijft ons herhalen dat wij “de randgebieden moeten opzoeken”, de existentiële randgebieden: van de fysieke en reële armoede tot de intellectuele armoede, die ook reëel is. Alle randgebieden, alle kruisingen van de wegen: daarheen gaan. En daar het zaad van het evangelie zaaien met woord en getuigenis”[2].

En in deze oproep om naar de randgebieden van de wereld te gaan, buiten onszelf te treden heb ik onmiddellijk de grote leermeesters uit mijn eerste jeugd en hun onderricht, waarvan zij getuigenis hebben afgelegd tot aan het vergieten van hun bloed toe, hervonden.

Hoe zouden wij, wat dit betreft, de grote les van Martin Luther King kunnen vergeten? Hoe zeer is in mijn hart en herinnering opnieuw zijn diepgaand commentaar op de parabel van de barmhartige Samaritaan naar boven gekomen! Wanneer hij deze parabel uitlegt, zegt hij dat hij duizend juiste redenen vindt om niet stil te blijven staan bij de gewonde langs de weg. Als men de vraag stelt, uitgaande van zichzelf, zijn er allemaal redenen om niet stil te blijven staan: “Als ik stil blijft staan om deze man te helpen, wat zal er dan met mij gebeuren?”[3], vraagt Martin Luther King zich af. Maar als de vraag wordt gesteld, uitgaande van de ander, verandert het probleem: “Als ik niet stil blijf staan om deze man te helpen, wat zal er dan met hem gebeuren?”[4]. Dan bestaat er gene enkel motief meer om niet stil te blijven staan. Het is de ander, niet het ik, die in het middelpunt van ons leven moet worden geplaatst. Zo bevrijdt men zich van de gesloten kring van een narcistisch solipsisme dat langzamerhand hersenen en hart leeg maakt en ons verlamt in een eeuwig Hamletisch bestaan. Zeker, in deze optiek ontkomt men niet aan de dood. Maar de dood is voor een christen niet een ongeval op het traject. Het is een gebeurtenis waarop heel zijn bestaand gericht is, omdat de dood het openzwaaien is van de poorten van het leven zonder enige beperkingen of ondoorzichtigheid.

Ik volgde mensen en geen ideeën

In mijn jeugdjaren ging ik als een bedelaar op zoek naar mensen die mijn hart iets te vertellen hadden.

Ik herinner mij bijvoorbeeld hoe mij in zijn werkkamer die grote geest van een prof. Aldo Capitini, een vriendelijke en aimabele christen, ontving en lang met mij bleef spreken, ook al stond hij ogenschijnlijk buiten de Kerk. En wat te zeggen over don Zeno van Nomadelfia, een man in wie men bespeurde dat zijn prediking het gezicht was van zijn kinderen en niet de ideetjes van het laatste boek dat, toen het in Italiaanse vertaling verscheen, al achterhaald was in het land van oorsprong!

Don Milani ontving mij, hij richtte het woord tot mij, hij ontving mij aan zijn tafel. Hij zei mij dat hij alleen sprak met de armen en met wie priester of onderwijzer of vakbondsman was (de enige verplichtingen die don Milani erkende als een christen waardig). Hij zei mij dat hij gedurende twintig jaar voor zich cultuur had opgehoopt en hij nu met rente aan de arme bergbewoners moest teruggeven wat hij gekapitaliseerd had. In zijn onvergelijkelijke stijl sprak hij mij over de salonintellectuelen die hun mond vol hadden over de armen en vervolgens niets over hen wisten. “Racisten - zei don Lorenzo - die vervolgens, wanneer zij trouwen, alleen maar trouwen als afgestudeerden met afgestudeerden”.

Over hen zei don Lorenzo: “Zij praten... praten en weten niet eens of de armen in pyjama, nachthemd of onderbroek slapen...”. Zeker, de grootste gave die God don Milani deed, was dat Hij hem liet sterven, voordat hij de jonge salonintellectuelen zich zag meester maken van zijn mythe om de armen het woord te blijven ontnemen en te gebruiken als manoeuvremassa tegen de Kerk. De Kerk die don Lorenzo liefhad als Moeder en waarvan hij zich nooit zou losmaken, omdat zij de enige was die zijn zonden kon vergeven[5]!

Het tijdperk Vietnam

Vervolgens kwam het tijdperk Vietnam: wij voelden de bommen aan den lijve die een volk van boeren doodden. Tot die tijd gaan mijn inzet voor het stoppen van de bombardementen op Vietnam en de vriendschap met Andrea Gaggero terug, van wie mij niet de ideeën over het heden, maar de zuiverheid en het lijden van de priester in het nazivernietigingskamp Mauthausen fascineerden[6]. Een man van de dialoog, die de standpunten van anderen respecteerde, een man die, ook al was hij getreden uit de zichtbare gemeenschap van de Kerk, de jonge seminarist die ik was, omgaf met liefde en respect en tevreden was, wanneer hij mij uitnodigde bij hem thuis voor het middagmaal.

Gefascineerd door de goedheid die vlees was geworden in een priester die slechts korte tijd nadat ik hem had leren kennen, stierf, mgr. Antonio Sartorato, ging ik in 1961 naar het Collegio Capranica en deed mijn filosofisch-theologische studie aan de Università Gregoriana.

Op het ogenblik van mijn diakenwijding zei de rector van mijn College, mgr. Franco Gualdrini, een uitstekende priester aan wie ik veel verschuldigd ben door zijn eerlijkheid en geduld, tegen mij dat hij niet meer zeker was van mijn roeping. Hij zag mij teveel bezig aan het... front van Vietnam en dat baarde hem zorgen. Bovendien hadden enkele studiegenoten van het College zich beklaagd over mijn meningen en betogen die ik toen hield. Derhalve werd ik uitgenodigd niet meer te spreken en mijn diakenambt uit te oefenen ver van jongeren, totdat ik weer mijn verstand begon te gebruiken. Ik ging naar het ziekenhuis San Camillo, waar ik een van de mooiste perioden van mijn leven doorbracht in voortdurend contact met dood en pijn. Het leek, als of ik aan het front was en ik mijn strijd streed tegen de vijand van de mens.

Hoe troostend is het voor mij op een afstand van bijna vijftig jaar de plaatsvervanger van Christus te horen die de jongeren bemoedigt met deze woorden: “Tot jullie, jongeren, zeg ik: Wees niet bang tegen de stroom in te gaan, wanneer ze ons de hoop willen ontnemen. ... Vooruit, wees moedig en ga tegen de stroom in! En wees trots erop het te doen!”[7].

Wat voor een diepe vreugde voelt men, wanneer de paus met meeslepende kracht nogmaals herhaalt: “Hoeveel rechtschapen mensen geven er de voorkeur aan tegen de stroom in te gaan om maar niet de stem van het geweten, de stem van de waarheid te verloochenen! En wij, wij moeten geen angst hebben!”[8].

De jongeren van vandaag zegt het woord Vietnam heel weinig. Voor ons was Vietnam een heel precies referentiepunt, een keuze waaraan wij niet gemakkelijk konden ontkomen.

Ik was onder andere een van de promotoren geweest van een oproep tot vrede in Vietnam die werd overhandigd aan de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika.

Toen de oppositiebeweging tegen de oorlog in Vietnam buiten de universitaire campussen van de Verenigde Staten was gekomen, verspreidde zij zich als een olievlek in de hele wereld en sloot geen enkele vestiging uit. Zij slaagde erin op internationaal vlak een tot dan toe ondenkbare massa te interesseren.

Vietnam werd een symbool van een zo explosieve evocatieve kracht dat zij erin slaagde in korte tijd haar oorspronkelijke kenmerken te verliezen om te veranderen in de uiteindelijke apocalyps van een strijd tussen Goed en Kwaad, zoals die tot dan toe nog nooit was beleefd.

De eerste journalistieke reportages en de eerste beelden raakten de collectieve verbeelding en zetten deze in veel gevallen op zijn kop.

Het kleine Vietnam, een land van boeren, nam de rol aan van David ten overstaan van de Goliat die door de grootste industriële macht van de wereld werd gespeeld.

In het “werelddorp” dat de verbreiding van de massamedia aan het bouwen was, ontroerde het heroïsch verzet van dit volk van armen, wekte het verontwaardiging, bracht het onweerstaanbaar sympathie en solidariteit teweeg.

Alle analyses en oordelen werden streng en zonder distincties of nuanceringen. Al het Goede aan de ene kant, al het Kwade aan de andere.

Hoe goed begrijp ik vandaag de wijze woorden van paus Franciscus, als ik ze op die tijd toepas, wanneer de paus ons spreekt over “de constante illusie de stad van de mens te willen bouwen zonder God, zonder het leven en de liefde van God: een nieuwe toren van Babel”[9]. Hoe waar zijn zijn analyses, wanneer hij zegt dat de mens vaak “zich laat leiden door ideologieën en logica’s die het leven belemmeren, die het niet respecteren, omdat zij worden gedicteerd door egoïsme, eigenbelang, profijt, macht, genoegen”[10].

Wij waren vol enthousiasme, echter “ook de grootste liefde verzwakt en dooft uit, als zij niet voortdurend wordt gevoed”[11].

De beweging van solidariteit met Vietnam verenigde pacifisten en voorvechters van iedere gewelddadige revolutionaire beweging; christenen van alle Kerken en exponenten van andere godsdiensten; rijk en arm; jongeren uit de Derde Wereld en jongeren uit de Verenigde Staten zelf; communisten en anti-communisten; studenten en arbeiders. Slechts weinigen twijfelden eraan of de zaak wel juist was.

Wie aan die beweging deelnam, wie die hartstocht had, wie manifesteerde of ook alleen maar een verzoek of boodschap van solidariteit ondertekende, had duidelijk het gevoel dat nooit zoals toen het typische verschijnsel zich manifesteerde dat aan de wieg staat van een revolutie, dat Sartre een “samensmeltende groep” noemt.

Toen leken de woorden zo waar waarmee Sartre het ontstaan van het revolutionaire ogenblik beschrijft: “Ik loop de loop van allen, ik roep: ‘Stop!’ en allen stoppen; iemand roept: ‘Kom in beweging!’, of: ‘Naar links! Naar rechts! Ten strijde!’, en allen vertrekken opnieuw... Het wachtwoord is niet gehoorzaam! Wie zou er dan gehoorzamen? en aan wie? Het is niets anders dan de gewone praktijk[12].

Als Vietnam de aanzet was, dan waren er andere zeer belangrijke, bijkomende factoren die de zaak ontketenden.

Herbert Marcuse, aan wiens denken in deze periode voortdurend werd herinnerd, vatte tijdens een beroemde discussie met studenten van de Vrije Universiteit van Berlijn de motieven van het studentenverzet tegen de oorlog in Vietnam als volgt samen: “De oorlog in Vietnam heeft de studenten voor de eerste keer de aard van de bestaande maatschappij onthuld: de hieraan eigen noodzaak van expansie en agressie en de beestachtigheid van de concurrentiestrijd op internationaal vlak”[13].

Het is een analyse die, ook al is die onafhankelijk ervan, de analyse weerspiegelt die door de op 4 april 1968 vermoorde Martin Luther King enkele maanden tevoren was gemaakt: “De oorlog in Vietnam ­ zo zei de zwarte profeet van de mensenrechten ­ is niets anders dan het symptoom van een ziekte die heel Amerika treft”[14].

Voor mijn generatie, die te laat was geboren om deel te nemen aan het verzet en te vroeg om hierdoor niet geraakt te worden, vertegenwoordigde Vietnam de loopgraaf waar het nog mogelijk was onze strijd te strijden, ook al was het een strijd die meestal in de huiskamer werd uitgevochten of op zaterdagavond in lange optochten die liturgisch een afdruk waren van een katholieke processie.

Voor ons, katholieken, leek het er vervolgens op dat het bijzonder ernstig was dat de christelijke Johnson, die op de Bijbel had gezworen, verder ging met de politiek van het leggen van bomtapijten en het ondersteunen van plaatselijke regeringsklieken van marionetten, waarvan de corruptiegraad alleen al gelijk was aan de stupiditeit van een kortzichtige en suïcidale politiek.

Wij lazen Lacouture, Chesneaux en al degenen die tot ons spraken over dit moedige en geliefde volk dat met zijn legendarische hoofd, dat voor ons allen een mythe was, Ho Chi Minh, zong: “Liever sterven dan leven als slaven”[15].

Emilio Grasso

(Wordt vervolgd)

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 ___________________

[1] Paus Franciscus, Toespraak tot het Kerkelijk Congres van het bisdom Rome (17 juni 2013).

[2] Paus Franciscus, Toespraak tot het Kerkelijk Congres...

[3] M.L. King, Io ho un sogno. Scritti e discorsi che hanno cambiato il mondo, Società Editrice Internazionale, Torino 1993, 195.

[4] M.L. King, Io ho un sogno..., 195.

[5] Over mijn herinnering aan don Milani, vgl. E. Grasso, Cultura e annunzio del Vangelo. Il messaggio pedagogico di don Lorenzo Milani, in E. Grasso, Il Volto in ogni volto. Uomini e donne alla periferia del mondo, EMI, Bologna 1999, 39-49.

[6] Vgl. A. Gaggero, Vestìo da Omo, Giunti Editore, Firenze 1991; cfr. A. Gaggero, Mauthausen. Il dovere della memoria. A cura di T. Arrigoni, La Bancarella, Piombino (LI) 2008.

[7] Paus Franciscus, Angelus (23 juni 2013).

[8] Paus Franciscus, Angelus (23 juni 2013).

[9] Paus Franciscus, Eucharistieviering voor de dag “Evangelium vitae”, ter gelegenheid van het Jaar van het geloof (16 juni 2013).

[10] Paus Franciscus, Eucharistieviering...

[11] Paus Franciscus, Geloofsbelijdenis met de bisschoppen van de Italiaanse Bisschoppenconferentie (23 mei 2013).

[12] J.-P. Sartre, Critique de la raison dialectique (précédé de Question de méthode), I. Théorie des ensembles pratiques, Gallimard, Paris 1960, 408.

[13] H. Marcuse, La fine dell’utopia, Laterza, Bari 1968, 56.

[14] M.L. King, Oltre il Vietnam, La Locusta, Vicenza 1968, 37.

[15] Ho Chi Minh, Diario dal carcere, Garzanti, Milano 1972, 35.

 

 

23/10/2013

Categorie: Artikelen